Europese unie

Thema’s > Europese Unie

Op 31 juli 1959 verzocht de Turkse regering om een associatieverdrag met de Europese Economische Gemeenschap. Daarvoor had het land uiteenlopende motieven. Zo vond een groot deel van zijn buitenlandse handel (meer dan 30%) plaats met de zes EEG-lidstaten en hoopte Turkije dat zijn landbouw (de grootste economische sector van het land) op termijn van de EEG zou kunnen profiteren. Bovendien had Griekenland enkele dagen tevoren een soortgelijk verzoek ingediend, zodat Turkije niet kon achterblijven. Op 9 september 1963 werd het associatieverdrag (de zogenaamde Overeenkomst van Ankara) gesloten en op 15 januari 1965 trad deze in werking. Doel was het geleidelijk tot stand brengen van een douane-unie tussen Turkije en de EEG.

In de jaren zeventig en tachtig bekoelde de relatie tussen de EU en Turkije. Het was niet zozeer de interventie van Turkije in Noord-Cyprus (1974), als wel de economische crisis in het midden van de jaren zeventig en de militaire staatsgreep in Turkije van september 1980, waardoor de relaties aanmerkelijk verslechterden. De economische crisis leidde tot een protectionistische houding van de EEG ten aanzien van mediterrane producten en tot de weigering om vrij verkeer van Turkse werknemers toe te staan. Turkije op zijn beurt weigerde fiscale aanpassingen door te voeren. De militaire staatsgreep noopte de EEG ertoe aan te dringen op herstel van de parlementaire democratie en eerbiediging van de mensenrechten. De toetreding van Griekenland tot de EEG op 1 januari 1981 vormde een extra complicerende factor. De kwestie Cyprus kwam nadrukkelijker voor het voetlicht, toen op 15 november 1983 de Turkse Republiek van Noord-Cyprus wordt uitgeroepen. Deze werd enkel door Turkije erkend.

Pas vanaf het midden van de jaren tachtig was sprake van een geleidelijke verbetering van de relatie tussen de EG en Turkije. In 1985 beloofde Turkije de staat van beleg op te heffen en werden Europese waarnemers in het land toegelaten om zich er op de hoogte te stellen van de mensenrechtensituatie. In 1986 werden de betrekkingen verder genormaliseerd, wat op 14 april 1987 resulteerde in Turkije’s aanvraag van het lidmaatschap van de EG. In 1989 adviseerde de Europese Commissie over de Turkse aanvraag. De Commissie bepleitte het aanhalen van de banden met Turkije, maar oordeelde dat toetreding van nieuwe lidstaten op dat moment geen prioriteit had. Met betrekking tot Turkije zag zij bovendien een aantal beletselen voor daadwerkelijke toetreding, namelijk (1) de zwakke sociaal-economische positie van het land, (2) de spanningen tussen het land en EU-lidstaat Griekenland en (3) de zorgelijke mensenrechten- en minderhedensituatie in het land en twijfel aan het democratisch gehalte van het Turkse politieke bestel. De Raad van Ministers nam dit standpunt over. In de daaropvolgende jaren werden de banden met Turkije weliswaar aangehaald, met name in het kader van het zogenaamde partnerschap ‘Europa-Middellandse-Zeegebied’, maar uit de toetredingscriteria die in 1993 voor nieuwe lidstaten werden geformuleerd (de zogenaamde Kopenhagen-criteria) viel af te leiden dat van een Turks lidmaatschap nog geen sprake kon zijn. In 1995 kwam de douane-unie tussen Europa en Turkije tot stand, die op 31 december van dat jaar in werking trad.

Hoewel de douane-unie naar het oordeel van de Europese Commissie redelijk functioneerde en de Europese Commissie zich op het standpunt stelde dat Turkije lid kon worden zodra het aan de toelatingscriteria voor het lidmaatschap had voldaan, stonden naar het oordeel van de EU een aantal zaken een snelle toetreding van Turkije in de weg. Het waren de ‘oude’ klachten: de geringe voortgang in het proces van democratisering en van economische hervormingen, de slechte mensenrechten- en minderhedensituatie in het land en de gespannen verhouding van Turkije met de EU-lidstaat Griekenland (onder andere over eilanden in de Egeïsche Zee). Ook voor de kwestie Cyprus diende Turkije mee te werken aan een oplossing in overeenstemming met VN-resoluties. Op de Europese Raad in Luxemburg werd daarom besloten om met Turkije voorlopig geen toetredingsonderhandelingen te starten. De Turkse regering voelde zich door dit besluit benadeeld. Zij was van mening dat het land lang genoeg had gewacht en dat aan Turkije onevenredig zware eisen werden opgelegd. Ondanks Turkse protesten bleef de deur van de EU gesloten.

Op 17 augustus 1999 werd Turkije getroffen door een zware aardbeving. Er waren zeker 15.000 doden te betreuren en zeker 20.000 mensen raakten gewond. De verwoestingen in het land waren groot. Deze dramatische gebeurtenis leidde tot een inschikkelijker houding tegenover Turkije. De EU verleende uitgebreide financiële hulp. Griekenland bleef daarbij niet achter en de Griekse minister van Buitenlandse Zaken verklaarde in september 1999 onomwonden dat het land voorstander was van het Turkse lidmaatschap van de EU op termijn. Natuurlijk verwacht het land van Turkije wel de nodige concessies (onder andere inzake de eilanden in de Egeïsche Zee). Op 13 september 1999 zaten de EU en Turkije voor het eerst sinds tijden weer officieel met elkaar aan tafel. In oktober 1999 stelde de Europese Commissie voor om meer landen te betrekken bij het uitbreidingsproces van de EU. Behalve met Polen, Hongarije, Tsjechië, Slovenië en Cyprus, zou de EU ook met Bulgarije, Letland, Litouwen, Roemenië, Malta en Slowakije onderhandelingen over toetreding moeten beginnen. Turkije zou het predikaat ‘kandidaat-lidstaat’ moeten krijgen, maar van daadwerkelijke onderhandelingen met het land over toetreding kon pas sprake zijn wanneer aan zekere politieke criteria waren voldaan.

Op de Europese Raad van Helsinki in december 1999 heeft Turkije officieel het predikaat ‘kandidaat-lidstaat’ gekregen.

Je wordt niet zomaar lid van de Unie. Daarvoor moet je aan een hele rij regels voldoen, de belangrijkste die in de onderhandelingsgesprekken worden besproken zijn:

– Het land moet een democratie zijn. Dat betekent dat de mensen hun eigen regering mogen kiezen. Het kan dus niet zijn dat er één iemand de baas is in een land.
– De inwoners van een land moeten goed behandeld worden en je moet voor je eigen mening op mogen komen.
– Er moet een goed rechtssysteem zijn. Als je iets verkeerd hebt gedaan moet je een eerlijke rechter krijgen. En het land moet de strafregels van de Europese Unie overnemen.

Een speciale commissie van de EU gaat met Turkije praten. Voor ze lid mogen worden moet er veel onderhandelt worden over verschillende dingen.

Er zijn mensen die vinden dat Turkije nog niet klaar is voor het lidmaatschap. Het land is wel een democratie, maar zou de mensen nog steeds slecht behandelen. 

Deze onderhandelingen kunnen nog wel tien jaar gaan duren. Als de EU en Turkije het met elkaar eens worden kan het land lid worden van de Europese Unie.